Sla de navigatie over
Nationaal Kies een ander CM-ziekenfonds
U bent hier: Actualiteit en publicaties -  Standpunten -  Standpunten 2010 -  standpunt cm: Eerst naar de huisarts

Eerst naar de huisarts?

april 2010

Op 1 januari 2010 hadden 2 767 480 CM-leden een globaal medisch dossier (GMD). Dat is 62,23 procent van alle leden, in Vlaanderen heeft zelfs 72,30 procent van de leden een GMD. Het aantal dossiers blijft dus opvallend stijgen, met meer dan 7 procent op vijf jaar tijd. Iets meer vrouwen dan mannen kiezen ervoor. Van de groep jonger dan 50 jaar heeft 54,39 procent een dossier, tussen 50 en 74 jaar loopt dat op tot 71,34 procent en bijna alle 75-plussiers (91,5 procent) hebben een GMD.

Het GMD, dat op voorstel van CM werd ingeschreven in het akkoord artsen-ziekenfondsen, startte in 1999 voor 60-plussers. Nadien werd het gaandeweg uitgebreid tot in 2002 de hele bevolking een GMD kon laten aanleggen bij zijn vaste huisarts.

CM blijft het globaal medisch dossier promoten. Het GMD versterkt immers de rol van de huisarts als centrale coördinator en het moedigt de mensen aan om een vaste huisarts te kiezen. Het is ook de toegangspoort tot de zorgtrajecten waarbij patiënten met diabetes type 2 en chronisch nierfalen beter worden opgevolgd.

Voor het bijhouden van een GMD ontvangt de huisarts een honorarium. Dat krijgt de patiënt volledig terugbetaald. De keuze van de patiënt voor een vaste huisarts wordt bovendien beloond want hij betaalt voor sommige prestaties minder remgeld. Ook bij bepaalde specialisten betaalt de patiënt minder remgeld, op voorwaarde dat hij eerst bij de huisarts langsging.

De Nationale Raad voor Kwaliteitspromotie (NRKP) erkent de belangrijke rol van het GMD ter ondersteuning van de centrale rol die de huisarts in de gezondheidszorg speelt. Begin april publiceerde deze raad aanbevelingen voor het goed gebruik van het GMD.
De NRKP beveelt aan om bij samenwerkingsverbanden en groepspraktijken, de koppeling van het GMD aan één huisarts te herzien. De informatie in het GMD zou in de toekomst beschikbaar moeten zijn voor alle huisartsen van een praktijk.
Vervolgens wil de NRKP dat er werk wordt gemaakt van het elektronisch medisch dossier wat het registreren en uitwisselen van gegevens sterk zal bevorderen.

Veel aandacht besteedt de NRKP aan de informatiedoorstroming van de specialist, het ziekenhuis en de klinische laboratoria naar het GMD. De raad wijst erop dat ook de verpleegkundige en de kinesitherapeut, de arbeidsgeneeskunde en het medisch schooltoezicht over informatie beschikken die, in het belang van de patiënt, het best in zijn GMD bij de huisarts terechtkomt. Omgekeerd zou relevante informatie uit het GMD ook beschikbaar moeten zijn voor de andere zorgverleners.

Het GMD, beheerd door de vaste huisarts, is en blijft ook in de toekomst een belangrijk instrument dat de kwaliteit van de zorg voor de patiënt bevordert. Eerst naar de huisarts? En pas dan naar de specialist? Met een goed bijgehouden GMD is dat de juiste volgorde.

Marc Justaert
Voorzitter CM

 

 


terug