HomeVoor professionelenPersPersberichten 2022

Heropname na verblijf in kraamkliniek: een groeiend risico

Persbericht 15 februari 2022

Zeven jaar geleden besliste de toenmalige minister van Volksgezondheid het verblijf in de kraamkliniek met een halve dag in te korten. De mogelijke risico’s die hieraan verbonden zijn voor mama’s en baby’s, zijn al langer voer voor discussie. CM onderzocht het aantal heropnames na ontslag uit de kraamkliniek. In de periode 2015-2019 is het aantal heropnames van baby’s gestegen in vergelijking met de periode 2010-2014. Bij de mama’s is er ook een toename, maar in mindere mate. Deze vaststelling roept vragen op: welke factoren spelen een rol bij een groter risico op heropname na een verblijf in de kraamafdeling?

De analyse, die gebaseerd is op gegevens van 430.000 mama’s en baby’s die lid zijn van CM, meet de evolutie van heropnames tussen 2010 en 2019 in de periode tot 30 dagen na het verlaten van de materniteit.1 Wat mama’s betreft, blijft het heropnamepercentage laag: van 2010 tot 2014 bedraagt het ongeveer 1,1 procent. Van 2015 tot 2019 stijgt het licht naar 1,3 procent. De heropnamepercentages voor baby’s zijn hoger en nemen aanzienlijk toe: van 4,8 procent tussen 2010 tot 2014 naar 5,9 procent voor de periode 2015-2019.²

‘Het valt op dat er een merkelijk verschil is in het aantal heropnames van moeders en baby’s tussen de periode voor en na de invoering van de verkorte verblijfsduur op de materniteit’, zegt CM-voorzitter Luc Van Gorp. ‘Maar we benadrukken dat de verkorte verblijfsduur slechts één van de factoren is die een invloed kunnen hebben op de verschillen in het aantal heropnames.’

Sociale ongelijkheid vanaf de geboorte

De studie toont bijvoorbeeld ook aan dat al vanaf de geboorte gezondheidsongelijkheid optreedt. Bij mama’s met het recht op de verhoogde tegemoetkoming is de kans op heropname groter dan bij mama’s zonder verhoogde tegemoetkoming (1,7 procent tegenover 1,2 procent). Bij baby’s is de kloof nog groter: het risico op heropname bij baby’s van ouders met de verhoogde tegemoetkoming is 7,7 procent terwijl het voor andere baby’s 5,7 procent is.

‘Het is een pijnlijke vaststelling dat opgroeien in een kwetsbare omgeving al van bij de geboorte tot gezondheidsongelijkheid leidt’, reageert Luc Van Gorp. ‘We weten dat groepen die sociaal-economisch kwetsbaarder zijn, vaak een fragielere gezondheid hebben of moeilijker toegang vinden tot zorg’, zegt Luc Van Gorp. ‘De resultaten van deze studie zijn alarmerend. Een slechtere sociaal-economische situatie zou niet zo’n grote en mogelijk schadelijke impact mogen hebben in de eerste levensdagen van een kind. Wij willen zorgverleners dan ook vragen om steeds rekening te houden met de draagkracht van een gezin (sociaal, economisch, toegang tot gezondheidszorg) om te bepalen wat de meest geschikte postnatale opvolging is, wanneer moeders en baby’s de materniteit mogen verlaten.’

Andere voor de hand liggende factoren die een impact hebben op het risico op heropname van mama’s en baby’s zijn risicovolle zwangerschappen³ en keizersneden. Ze staan in rechtstreeks verband met een grotere kans op heropname.

Hoewel het nog niet mogelijk is om harde conclusies te trekken, lijken de gegevens toch een hoger heropnamepercentage te laten zien bij een “kort” verblijf (maximaal 2 dagen bij een vaginale bevalling, 3 dagen bij een keizersnede) in vergelijking met een “gemiddelde” verblijfsduur (3-4 dagen voor een vaginale bevalling, 4-5 dagen bij een keizersnede). Het moet er volgens CM niet toe leiden om de verkorte verblijven in de kraamkliniek ter discussie te stellen. In veel gevallen verkiezen mama’s om sneller naar huis te gaan en vormt dit ook geen probleem. Maar verdere analyse naar de factoren die leiden tot heropname is wel nodig.

Voor meer info: Dieter Herregodts, persverantwoordelijke CM, 0475 86 36 71

1. De periode van 30 dagen na bevalling wordt in het algemeen als indicator gebruikt in buurlanden en landen die vergelijkbaar zijn met België.
2. Uit de literatuur blijkt dat de heropnamepercentages van moeders en baby’s in België vergelijkbaar zijn aan de percentages in andere westerse landen.
3. Leeftijd (jonger dan 18 jaar of ouder dan 40 jaar), aanwezigheid van bestaande risicofactoren (diabetes, hypertensie, ziekte van Crohn, etc.), prenatale zorg of de aanwezigheid van een kinderarts bij een geboorte na een risicozwangerschap.

Download