Slaapmoeilijkheden
Er bestaan heel wat slaapmoeilijkheden. Ze worden ingedeeld in drie categorieën: moeilijkheden bij inslapen, bij doorslapen en bij opstaan.
Moeilijk inslapen
- Zorg voor een voorspelbaar ritueel en een rustige omgeving.
Een vast slaapritueel helpt je kind schakelen van spelen naar slapen. Bijvoorbeeld: opruimen, pyjama, tanden poetsen, verhaaltje, knuffel en nachtzoen. - Kondig bedtijd op voorhand aan.
- Zeg ongeveer een halfuur op voorhand dat bedtijd eraan komt.
- Geef 10 minuten voor het einde nog eens een seintje.
Zo kan je kind rustig afronden. - Kies rustigere activiteiten in het laatste uur van de avond.
Fel licht, wilde spelletjes of schermen kunnen inslapen lastiger maken.
Veel kinderen hebben (tijdelijk) nabijheid nodig om tot rust te komen.
- Help je kind tot rust komen.
Kies één of enkele rustige manieren die bij jullie passen: - zacht praten of zingen
- een hand op de buik/rug
- even knuffelen
- zacht ‘sshh’ zeggen
- een vertrouwde rustbrenger of slaapassociatie: slaapzak, fopspeen, knuffeldoekje, foto van ouders, gedimd licht …
- Spreek een beurtrol af met je partner.
Een beurtrol met je partner of iemand anders kan helpen, zeker bij zware avonden. Probeer zoveel mogelijk dezelfde aanpak te volgen.
- Blijf rustig.
Merk je dat je boos of opgejaagd bent? Neem even een pauze door de kamer te verlaten of diep in en uit te ademen. Rust werkt aanstekelijk.
Hier is het belangrijk om onderscheid te maken tussen baby’s en oudere kinderen.
1. Bij een baby (zeker de eerste 6 maanden):
De veiligste keuze is: in dezelfde kamer, maar in een eigen bedje of co-sleeper naast jullie bed. Als je baby toch bij jou in bed belandt (bv. door vermoeidheid): maak het zo veilig mogelijk.
- Leg je baby op de rug en bij voorkeur in een slaapzak.
- Haal kussens, dekbed, losse dekens en zachte spullen weg rond je baby.
- Laat je baby niet tussen twee personen in slapen en nooit samen met huisdieren of oudere kinderen.
- Gebruik geen babynestje/borstvoedingskussen in bed.
2. Bij een peuter/kleuter:
Soms is samen slapen een tijdelijke oplossing in een moeilijke periode (ziekte, nachtmerries, verandering). Als je het wil veranderen: doe dat stapsgewijs. Bijvoorbeeld: eerst een matrasje naast je bed, daarna terug naar eigen kamer met jouw nabijheid als steun.
- Neem de angst serieus.
Toon begrip. Zeg liever: ‘Ik zie dat je bang bent’ dan ‘Het is niet echt’. Zo schep je vertrouwen en toon je dat je er bent. - Maak het veilig en voorspelbaar.
- Laat een nachtlampje branden of zet de deur op een kier.
- Laat je kind overdag vertellen of tekenen over de angst.
- Blijf ’s avonds nog even in de buurt door bijvoorbeeld in de kamer ernaast op te ruimen.
- Zoek steunmiddeltjes die rust brengen.
Een knuffeldoekje, een vaste zin (‘Ik kom straks nog eens kijken’) of een liedje kan helpen.
Moeilijk doorslapen
- Houd het ’s nachts saai en rustig.
- Praat weinig: ga geen uitgebreide gesprekken voeren, breng de boodschap: het is nacht, we gaan terug slapen.
- Maak zo weinig mogelijk licht.
- Gebruik een mini-versie van je slaapritueel.
Doe wat je ’s avonds ook doet, maar kort. Hoe meer de situatie ’s nachts lijkt op die waarin het kind in slaap is gevallen, hoe gemakkelijker het opnieuw zal slapen. - Bied troost op maat.
Soms heeft je kind even hulp nodig om opnieuw te ontspannen. Dat kan met jouw nabijheid, een hand op de rug, zacht ‘sshh’, of kort knuffelen. - Niet straffen of boos worden.
- Nachtmerrie (je kind is echt wakker en zoekt je):
- Stel gerust, knuffel en praat zacht. Blijf bij je kind tot het rustig is. Je stem helpt.
- Zet eventueel even een zacht licht aan om je kindje te tonen dat hij of zij gewoon thuis op de kamer is.
- De volgende dag kan je er geruststellend op terugkomen als je kind het nog weet.
- Nachtangst (je kind lijkt wakker, maar is het meestal niet):
Je kind kan schreeuwen, zweten, wijd open ogen hebben, maar reageert weinig. - Meestal stopt het na enkele minuten vanzelf.
- Je hoeft je kind niet wakker te maken. Blijf dichtbij en zorg dat het zich niet pijn doet.
Moeilijk opstaan
- Pas bedtijd of dutjes aan in kleine stapjes.
Te vroeg wakker worden kan te maken hebben met dutjes, bedtijd, drukte overdag, of spanning door bijvoorbeeld verandering.
Schuif maximum 10 à 15 minuten per keer, enkele dagen na elkaar. Grote tijdssprongen zorgen vaak voor meer slaapproblemen. - Doe alsof het nacht is.
Alles voor zes uur ’s ochtends is in principe nog nacht.- licht uit of gedimd
- weinig praten
- korte geruststelling en terug instoppen.
- Een slaapwekker kan helpen.
Voor kinderen die nog geen klok kunnen lezen, werkt een slaapwekker met een figuurtje of kleur soms goed: het toont wanneer het tijd is om op te staan.
- Vervroeg de inslaaptijd geleidelijk.
Leg je kind stap voor stap wat vroeger in bed (bv. 10 minuten per keer). - Zoek uit waarom je kind ’s avonds nog zo lang wakker blijft.
Te laat naar bed, te veel prikkels, spanning, angst, lichamelijk ongemak (tanden, verkoudheid)… kunnen meespelen. - Zorg voor regelmaat, ook in het weekend.
Als je kind op zaterdagavond twee uur later in bed ligt, zal het meestal geen twee uur langer slapen. Dus is het moe. Probeer je kind op vaste uren te laten slapen, ook in het weekend. - Maak de ochtend rustiger.
Leg ’s avonds alles klaar (kleren, brooddoos, schooltas) of dek de ontbijttafel al. Minder ochtendspits = minder stress. - Start de dag actief.
Daglicht, frisse lucht en sociaal contact helpen het lichaam ‘op te starten’.
Belangrijk: geef het tijd. Werken deze slaaptips niet meteen? Dat is normaal. In het begin kan je kind zelfs even slechter slapen, omdat het nog moet wennen aan de nieuwe aanpak.
Bronnen:
Meer rust voor de nacht
Op zoek naar extra ondersteuning bij slaapmoeilijkheden? In de Mijn CM‑app ontdek je activiteiten rond slaap, afgestemd op jou en je kindje.
Bekijk de activiteiten in de Mijn CM‑app
Werken deze slaaptips niet meteen? Dat is normaal. Geef het tijd en wees geduldig.
Slaap-expert
Meer tips?